Wielophanging en vering van de Citroën 2CV



De wielen van de 2 CV zijn opgehangen aan 4 forse en vooral lange draagarmen. Deze armen scharnieren om twee dwars over het chassis geplaatste buizen, die daarop met klemmen zijn bevestigd.
Voor de voorwielen is deze dwarsbuis achter de wielen geplaatst en voor de achterwielen aan de voorzijde. Wanneer men de wagen met de hand vooruit duwt kan men dus zeggen, dat de voorwielen worden geduwd en dat de achterwielen worden getrokken.
Maar in werkelijkheid, dat wil zeggen als de wagen rijdt, trekken door de voorwielaandrijving, de voorwielen de wagen aan de voorste draagarmen mee en worden de achterwielen met achterste draagarmen door de wagen meegetrokken.

100


Aan alle 4 draagarmen wordt dus getrokken en dat is een ideale toestand, want juist daardoor wordt de wagen stabiel.
De draagarmen scharnieren om de buis in dubbele conische rollagers van zodanige afmetingen, dat slijtage, ook na jaren tot de uitzonderingen behoort.

Veerpot
Tussen beide dwarsbuizen is aan weerszijden aan de buitenkant van het chassis een stalen mantel aangebracht, waarin 2 schroefveren, één voor het voorwiel en één voor het achterwiel. Deze veren zijn met trekstangen aan een kniehefboom op de draagarm bevestigd.
Wanneer de wagen doorveert worden de veren gespannen. Door de lange draagarmen is de vering bijzonder soepel.
De beide schroefveren, zijn door een stalen mantel omgeven, de zogenaamde ‘veerpot’, die met twee van draad voorziene stelstukken tussen steunen aan het chassis is bevestigd.
Binnen in de mantel bevinden zich twee veerschotels, die aan de buitenomtrek met remvoering zijn bekleed.
Aan deze schotels zijn van draad voorziene stangen bevestigd, waarvan er een met de kniehefboom op de draagarm van het voorwiel wordt verbonden en de andere op overeenkomstige wijze met het achterwiel.
101

Als bevestiging van de stang dient een oogbout die op de stang is geschroefd.
Het oog van de bout wordt met een ,kantelmes’ aan de hefboom bevestigd. Een kantelmes is een eenvoudige stalen bout zonder draad, waarvan over de dwarsdoorsnede gezien de ene helft ,een halve cirkel vormt en de andere helft een driehoek.
Deze wat zonderlinge vorm dient om de wrijving op dit draaipunt te beperken. De kantelmesjes die met veertjes geborgd zijn behoren van tijd tot tijd met een oliekannetje of met een in olie gedrenkte kwast te worden gesmeerd.
Het wil in de praktijk wel eens voorkomen dat een veerpot geluid produceert. Van de fabriek uit zijn de veerpotten met enig vet gevuld en is de remvoering op de veerschotels in ricinusolie (wonderolie) gedrenkt. Wanneer dit opdroogt of hard wordt, openbaart zich dit in een hinderlijk geluid. In dat geval boort men een klein gaatje precies in het midden van de mantel, daar waar de veerschotels zich bevinden en spuit men met een oliekannetje wat dikke olie naar binnen.
De veerpot, die gemakkelijk met de hand kan worden gedraaid, draait men rond, zodat de olie zich langs de gehele omtrek verdeelt. Het beste voor dit doel is wonderolie.
Afbeelding van een zogenaamd kantel mes
102

Wagenhoogte
De hoogte van de wagen kan met de trekstangen worden ingesteld. In onbeladen toestand, dat wil zeggen met reserveband, gereedschap en 5 liter benzine in de tank moet de afstand tussen de onderzijde van de naaf van de draagarm en de vloer – die geheel vlak moet zijn – aan de voorzijde 288 mm bedragen en 383 mm aan de achterzijde.

Voor beide maten geldt een tolerantie van 2,5 mm naar boven en beneden. Door de trekstangen te verdraaien in de oogbouten kan de hoogte worden gewijzigd. Overigens is dit een bezigheid, die men aan de dealer moet overlaten.

Schokbrekers
De schokbrekers zijn zoals talloze andere dingen van de 2 CV niet van gebruikelijke constructie.
Aanvankelijk werd aan het wiel een traagheidsschokbreker gemonteerd en op de naaf van de draagarm een wrijvingsschokbreker.
Later (1965) zijn de wrijvingsschokbrekers voor de achterwielen vervangen door normale hydraulische telescoopschokbrekers.
De traagheidsschokbreker wordt batteur genoemd en de wrijvingsschokbreker noemt men frotteurs.
103

Batteur of traagheidsschokbreker.

Batteurs
Een batteur is een cilindrische bus, die bij het voorwiel tegen de fusee cn bij het achterwiel op het uiteinde van de draagarm is gemonteerd.
In deze bus bevindt zich een vrij zwaar (ca. 4,5 kg) gewicht, rustend op een veer. Het gewicht kan zich in de bus vrij op en neer bewegen. Wanneer het wiel door een oneffenheid in her wegdek wordt opgeworpen, blijft het gewicht door zijn traagheid achter en oefent daardoor een druk op het wiel uit, die tegengesteld is aan de richting, waarin het wiel werd opgeworpen. Slijtage aan de batteurs is praktisch uitgesloten en ze behoeven dan ook geen onderhoud.
Het wil echter wel eens voorkomen, dat een batteur geluid maakt. De oorzaak is dan vrijwel altijd een gebrek aan olie. Van de fabriek uit zijn de batteurs gevuld met 85 cm
3 motorolie, die moeilijk verloren kan gaan, omdat de bus geheel gesloten is. Na enkele jaren kan de olie wel eens verharsen of verzuren en in dat geval maakt het gewicht in de bus geluid tegen de wand.
Boven op de batteur zit een vulstop. die men losschroeft en wanneer men dan enige olie in de vulpijp giet, zal het geluid verdwijnen.
104

Frotteurs
Een frotteur is een wrijvingsschokbreker die op de buitenzijde van de naaf van de draagarm gemonteerd is. Zo’n schokbreker bestaat uit twee stalen drukplaten met daartussen een stalen plaat, die met remvoeringmateriaal bekleed is.
De stalen drukplaten zijn voorzien van gaten, waarmee ze op de nokvormige uiteinden van de dwars buis worden geschoven en daarmee een geheel vormen.
Frotteur, na verwijdering van het deksel.

De beklede plaat wordt met 3 bouten samen met het afsluitdeksel aan de naaf van de draagarm bevestigd. De buitenste van de stalen drukplaten is voorzien van een bout waarmee beide drukplaten door een veer en een stelmoer tegen de beklede schijf worden gedrukt.
Wanneer het wiel opveert, draait de beklede schijf tussen de beide drukplaten door en dempt zodoende de beweging van de draagarm af.
De spanning waarmee de stelmoer moet worden aangehaald moet zo zijn, dat het koppel tijdens het slippen van de schokbreker 1,3 tot 1,7 kgm voor de voorschokbreker en 2,8 tot 3,2 kgm voor de achterschokbrekers bedraagt.
Overigens is dit een werkzaamheid, die alleen door de dealer kan worden uitgevoerd, aangezien men daarvoor over speciaal gereedschap moet beschikken.
106

Hydraulische schokbrekers
Sinds september 1965 zijn de frotteurs op de achterste draagarmen vervangen door telescopische hydraulische schokbrekers.
Deze schokbrekers zijn in horizontale stand langs de buitenzijde van het chassis gemonteerd.
Wanneer een hydraulische schokbreker geluid maakt zijn meestal de rubber busjes in de bevestigingsogen versleten of hard geworden. Het kan ook zijn dat de schokbreker lekt en z’n olie heeft verloren, hoewel de kans daarop veel minder groot is.
De goede werking van een schokbreker controleert men door de wagen aan de bumper op en neer te laten deinen en dan plotseling los te laten. De wagen moet dan vrijwel onmiddellijk rot rust komen. Blijft het deinen aanhouden, dan is de schokbreker versleten en zal moeten worden vervangen.
107