2CV Verlichting



Verlichting

Behalve een slechte draadverbinding, of een kortsluiting is het ook mogelijk dat een gloeilamp doorbrandt.
Met zo’n doorgebrand gloeilampje zal men in het algemeen geconfronteerd worden op de meest ongelegen ogenblikken en vrijwel altijd als het donker is.
Doorrijden met een gedoofde lamp is bijzonder gevaarlijk, neir alleen voor uzelf maar ook voor uw medeweggebruikers want het werkt verwarring stichtend. Daarom is het gewenst een stel reserve gloeilampjes in de wagen mee te voeren. Het verwisselen van een gloei¬lamp is op zichzelf niet zo moeilijk, maar meestal zal men het in het donker moeten uitvoeren. Het verdient daarom aanbeveling met dit verwisselen van een lampje thuis eens te oefenen, zodat men precies weet hoe het moet worden uitgevoerd.
 

Wanneer men een gloeilamp monteert – en dit geldt vooral voor de koplampen – dan moet men de glazen ballon nooit met de blote hand aanvatten. Want onze handen scheiden altijd vet en zuren af. Dit vet en zuur verdampt door de grote hitte op de glazen ballon en de dampen slaan neer op de reflector, die daardoor dof wordt. Daarom voor het inzetten altijd een zakdoek of iets dergelijks gebruiken.
Voor de 2 CV worden de volgende gloeilampen gebruikt:
 

  Belgische uitvoering Franse uitvoering
     
Koplampen 40/45 W. 36/36 W.
Stadslichten 4 W. buis lampje 4 W. buis lampje
Clignoteurs voor Parkeerlichten 20 W. 15 W.
Stoplichten/clignoteurs achter 2W.  
Achterlicht 20 W. 15 W.
  5 W. buis lampje 4 W. buislampje
Nummerplaatverlichting 4 W. buislampje  
Laadstroomcontrolelampje 0,23 W. 12V  0.1 W.
Dashboardverlichting ZW.  1.5 W.
166    

Clignoteurs
De werking van het clignoteurrelais (kn!pperautomaat) die aan de onder¬zijde van
het dashboard 15 gemonteerd IS afgestemd op de stroomsterkte die door het relais
vloeit.
Dit betekent, dat de gloeilampen die in de clignoteurs gebruikt worden een
bepaalde waarde moeten hebben.
Wanneer één van de lampen doorbrandt zal de ander wel branden, maar niet
knipperen. Het kan ook zijn dat de knipperfrequentie tweemaal zo groot wordt.

De te vervangen lamp moet dan dezelfde waarde hebben als de andere (20W.).
Monteert men een zwakkere lamp, dan neemt de knipperfrequentie af en bij een
sterkere toe. De wettelijk voorgeschreven knipperfrequentie is 60 tot 90 maal
per minuut.
Wanneer de clignoteur slecht of zeer langzaam knipperen valt te denken aan een
slechte massaverbinding van een der lampen of aan een slechte draadverbinding.