Verwarming van de Citroën 2CV

Koeling en verwarming

Zoals bekend wordt de motor van de 2 CV door lucht gekoeld.

Het motorblok, de beide cilinders en de oliekoeler liggen rechtstreeks in de door de grille toestromende rijwind en de koeling wordt bevorderd en versterkt door de ventilator die de lucht via de stalen koelmantel, waarmee de motor is omgeven over en langs de koelribben van de cilinders stuwt. Deze luchtkoeling is zeer ruim bemeten en het is haast onvoorstelbaar dat de motor van een 2 CV te heet zal worden.
Voor ons nogal kille Nederlandse klimaat is de koelcapaciteit zelfs aan de ruime kant en daarom wordt dan ook een hoesje meegeleverd, waarmee de luchttoevoer via de grille kan worden afgesloten. Dit hoesje zal men niet alleen in de winter maar ook op bepaalde dagen in de herfst en in het voorjaar moeten gebruiken.
Gevaar dat de motor door het afsluiten van de luchttoevoer onder deze omstandigheden te heet zal worden is niet aanwezig.
Normaal, dat wil zeggen met niet afgesloten grille wordt koele buitenlucht aan de ventilator toegevoerd, die over de koelribben van de cilinders strijkt en aan de bovenzijde bij de kleppen voor de verwarming de koelmantel verlaat en in de motorruimte terechtkomt, vanwaar de warme lucht via de zijspleten onder de motorkap in de buitenlucht verdwijnt.

Sluit men de grille met het hoesje af, dan zuigt de ventilator nog voldoende lucht aan uit de motorruimte. Deze lucht is warmer dan de buitenlucht, zodat de motortemperatuur wat hoger en daardoor wat gunstiger wordt.
De voorschriften, die er ten aanzien van het gebruik van het hoesje bestaan zijn als volgt:
aanbrengen, wanneer de temperatuur lager is dan 10° C; 
verwijderen, wanneer de temperatuur hoger is dan 15° C.
Tussen 10° en 15 ° C kan men naar eigen inzicht handelen.
Het aanbrengen of verwijderen van het hoesje beïnvloedt namelijk de werking van de verwarming, omdat bij gesloten hoes de door de ventilator aangezogen lucht reeds min of meer is voorverwarmd en de temperatuur van de lucht na het verlaten van de koelmantel dus hoger zal zijn. Wanneer de verwarming in werking wordt gesteld sluiten de beide kleppen de verbinding tussen de koelmantel en de motorruimte af en wordt de warme lucht via de vilten slangen naar het wageninterieur gevoerd.
De werking van de verwarming is zo eenvoudig dat zich daarin vrijwel geen storing kan voordoen, tenzij een der kleppen niet goed mocht sluiten.
127

Blijft niettemin de temperatuur in de wagen te laag dan is dit meestal te wijten aan tocht, zoals bijvoorbeeld langs de pedalen of andere gaten in het schutbord. Ook niet goed afdichtende portieren kunnen de oorzaak zijn.
Bijstellen van de voorportieren, althans van de latere modellen kan hierin verbetering brengen. Overigens valt met schuimrubber, vilt en rubberstrip aan het tochten heel war verbetering te bereiken.

Een nadeel van deze verwarming is dat de warme lucht rechtstreeks vanuit de motorruimte wordt aangevoerd. Daardoor kunnen soms allerlei kwalijk riekende luchtjes in het wageninterieur binnendringen. Oorzaken daarvoor zijn meestal:
vuile en vette koelribben
lekke oliekoeler
vervuilde en vettige motorruimte
lekkende benzineleiding lekke uitlaat
128

In verband hiermee verdient het aanbeveling de motor en de motor ruimte zo schoon mogelijk te houden, althans niet te laten vervuilen.
Om een koude motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperaruur te brengen en daardoor ook zo snel mogelijk profijt van de verwarming te trekken, verdient het aanbeveling reeds enkele seconden nadat de motor op gang is gekomen weg te rijden.
Onder belasting komt namelijk de motor veel sneller op temperatuur dan dit bij stationair draaien het geval zou zijn.
129